Meneer Breidenbach

In de vierde klas hadden we een strenge meester, Breidenbach genaamd. Op een keer hadden we een dictee, waarin de zin “een gouden pen” voorkwam, maar ik schreef een "goude" pen. Hij kwam links naast me staan en zei: “een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord krijgt altijd een n op het eind De Puit” Met elk woord dat hij uitsprak porde hij met zijn pen in mijn linker bovenarm, de hufter. Dat leverde een blauwe plek op die er na twee weken nog zat. (wel ken ik de zin na 60+ jaar nog steeds uit m’n hoofd)